Intercollegiaal Consult (ICC)

Een professional vormt zich tijdens zijn loopbaan eigen beelden over het functioneren van organisaties en zichzelf. Hij heeft eigen professionele opvattingen over tal van aspecten van dat functioneren: over hoe mensen samen moeten werken, hoe er leiding gegeven dient te worden, hoe veranderprocessen aangestuurd moeten worden enz. enz. Deze opvattingen zijn deels gebaseerd op theorieën, op gestolde ervaring, maar komen ook voort uit persoonlijke waarden en normen en karaktereigenschappen van de betreffende professional. Iedere professional ontwikkelt tevens in de loop der tijd een eigen stijl met een aantal voor hem karakteristieke elementen. Ook deze stijl is sterk gerelateerd aan een aantal persoonlijke waarden en eigenschappen.

Uitgangspunten voor ICC zijn dat het voor de professie behoort om:

  1. Zich bewust te zijn van de beelden en professionele opvattingen van waaruit hij werkt;
  2. Zicht te hebben op zijn specifieke bekwaamheden respectievelijk “zwakheden”, op de hem kenmerkende stijl en de relatie daarvan met de persoonlijke waarden, normen en eigenschappen.

Uitgangspunten zijn ook dat professionals elkaar d.m.v. ICC kunnen helpen bij:

  1. Het ontdekken en expliciteren van die professionele opvattingen respectievelijk de erachter liggende persoonlijke waarden en specifieke eigenschappen;
  2. Het nagaan in hoeverre de betreffende professional kan leren van dit inzicht en, mede daardoor, zijn professioneel handelen beter kan besturen.

ICC , in deze vorm, is dus gericht op professionaliseren en niet op de onderlinge ondersteuning bij het oplossen van een probleem. Centraal staat inzichtverruiming met betrekking van de achtergronden op basis waarvan de professional handelt en uitbreiding van de competentie tot handelen.

Bij ICC wordt in kleine groepen gewerkt aan de hand van een casus, die ieder van de groepsleden bij toerbeurt inbrengt. De casus betreft een werksituatie waarover de professional “puzzelt”. Er bestaat een zekere aarzeling, twijfel met betrekking tot een te verrichten of verrichte interventie(s). De mede-groepsleden zoeken samen met de casus-inbrenger naar de achtergronden van zijn vraag, maar lossen het “probleem” niet voor hem op. Ze zijn bezig met de vraag hoe die collega in elkaar zit, wat hem beweegt, wat zijn overwegingen en opvattingen zijn, waaruit zijn daden voortkomen. Dus geen oplossingen, noch oordelen, maar interesse, mee zoeken, eventueel confronteren met discrepanties tussen uitgesproken opvattingen en getoond gedrag.

Als begeleider van dit proces beschik ik over een aantal gespreksmethoden c.q. procedures die gebruikt kunnen worden onder andere de 10 stappen methode en de U-procedure.