Weblog artikelen

Opbrengsten van het onderwijs

maandag, 16 januari 2012

Vorige week verscheen een rapport van het Sociaal en Cultureel Planbureau over de effecten van de vele miljarden die sinds 1998 extra zijn besteed aan publieke diensten, waaronder het onderwijs. Hun conclusie was ontluisterend: die effecten zijn er niet of nauwelijks. Vooral het basisonderwijs moest het ontgelden. De reacties op het rapport vanuit het onderwijs waren voorspelbaar. Het planbureau gaat “veel te kort door de bocht” (AOb), “slaat de plank mis” (Verenigde basisscholen), de conclusies zijn een “versimpeling van de werkelijkheid” (schoolbesturen VO).

Er is inderdaad het nodige op de conclusies af te dingen. Volgens de onderwijsinspectie ligt de kwaliteit in het basisonderwijs nu over de hele linie duidelijk hoger dan zo’n tien jaar geleden, maar het SCP kan daar geen harde bewijzen voor vinden. Zij gebruiken de gemiddelde CITO scores, die zo’n beetje gelijk zijn gebleven. Maar naast de gerechtvaardigde vraag of die CITO scores een juiste maat zijn voor de kwaliteit van onderwijs, is het ook mogelijk om het gelijk blijven van het landelijk gemiddelde (535) anders te interpreteren. Met evenveel recht zou je kunnen beweren dat die continuering een hele prestatie is, gezien de maatschappelijke ontwikkelingen en problemen waarmee het onderwijs in de loop van de tijd is geconfronteerd.

Daarnaast is het overgrote deel van het extra geld besteed aan salarisverhoging, verkleining van klassen en extra personeel. In hoeverre je van salarisverhoging een verbetering van onderwijs kwaliteit mag verwachten is de vraag. Van klassenverkleining, die overigens alleen in de onderbouw heeft plaats gevonden, was al bekend dat het dat effect nauwelijks of niet heeft. En het extra personeel zijn vooral klassen- en onderwijsassistenten  en zij-instromers geweest, van wie met name de eersten lager gekwalificeerd zijn. En of je daarvan een kwaliteitsverhoging mag verwachten is ook weer een terechte vraag, waarmee ik niets gezegd wil hebben over de inzet en motivatie van deze mensen.

Waar het volgens mij in dit verband aan ontbreekt is dat er geen heldere eisen worden gesteld aan de besteding van deze gelden. Als je wilt dat dergelijke investeringen verhoging van de kwaliteit van onderwijs teweeg brengen, moet je dat hardop uitspreken, definiëren waar die verhoging uit dient te bestaan en meetbaar maken. En je zult ook aan moeten geven waaraan die gelden besteed dienen te worden, waarbij je in overleg gaat over de manier waarop de gestelde doelen bereikt moeten worden. Laat het veld maar met plannen komen, beoordeel die op hun merites, geef er feedback op en ga vervolgens na overeenstemming over tot overmaken van de middelen, monitor het proces en evalueer tussentijds en aan het eind en leer daar gezamenlijk van. Maak waar dat het onderwijs je als overheid een voortdurende zorg is.

Zelf zou ik wel weten waaraan die gelden te besteden om de kwaliteit van onderwijs te verbeteren. Dan moet, wat mij betreft, de focus op het primaire proces liggen. En dat betekent bij de verdere ontwikkeling van de professionaliteit van de leerkrachten en docenten en hun leidinggevenden plus de opleidingen tot leerkracht en docent. Daarnaast is ook de ontwikkeling van een professionele cultuur waarin men is gericht op het met en van elkaar leren met behulp van professionele communicatie, hoogst noodzakelijk.

Een “serieus en principieel debat” (VVD) daarover is geen overbodige luxe, waarbij het erg nodig en nuttig is, naar mijn mening, om met elkaar ook zo helder mogelijk te definiëren wat onze kinderen moeten kennen en kunnen in de maatschappij van over tien, vijftien jaar in plaats van het rapport te gebruiken als aanleiding om te bezuinigen, zoals diezelfde VVD aangaf en ook door het SCP zelf wordt gesuggereerd in het rapport. Dat is inderdaad “veel te kort door de bocht”.

Fred de Baas