Weblog artikelen

vrijdag, 02 november 2012

 

In de wet Passend Onderwijs staat aangegeven dat het de bedoeling is van de wet om het denken in kindkenmerken om te buigen naar het denken in onderwijsbehoeften. Dus niet langer de beperkingen van kinderen dienen de leidraad te zijn voor het handelen, maar dat wat het kind nodig heeft om zich optimaal te kunnen ontwikkelen, uitgaande van zijn of haar mogelijkheden.

Daarnaast is het de bedoeling van de wet dat schoolbesturen en ketenpartners verenigd in nieuwe samenwerkingsverbanden er voor zorgen dat in hun regio er voor alle leerlingen een passend aanbod voor handen is, zodat geen kind meer langdurig thuis komt te zitten of langdurig op een wachtlijst komt te staan omdat er nergens plaats is. Of en hoe zij aan deze zogenoemde zorgplicht voldoen moeten de samenwerkingsverbanden aantonen in het zogenaamde ondersteuningsplan. En dat plan is weer gebaseerd op de ondersteuningsprofielen van de scholen uit het samenwerkingsverband. In die profielen staat beschreven welke ondersteuning zij als individuele school te bieden hebben.

Daarmee zie ik op dit ogenblik de samenwerkingsverbanden en scholen worstelen. En dat is volgens mij in eerste instantie te verklaren uit het feit dat het hier toch weer een beleidswijziging betreft die, in ieder geval in de beleving van velen, van bovenaf door de overheid is opgelegd, terwijl de commissie Dijsselbloem al weer een paar jaar geleden heeft geconstateerd dat dergelijke grootschalige top down processen gedoemd zijn te mislukken. Weliswaar wordt de uitvoering van de wet gedelegeerd aan de schoolbesturen, samen met een aantal ketenpartners verenigd in nieuwe samenwerkingsverbanden, maar ook deze verbanden staan nog behoorlijk ver van de werkvloer af en de mensen die een en ander daadwerkelijk in de praktijk dienen te brengen. Bovendien is de motivatie voor de wet niet alleen op inhoudelijke en kwalitatieve motieven gebaseerd, maar spelen ook kwantitatieve en financiële motieven een belangrijke rol.  Ook in de samenwerkingsverbanden spelen de financiële belangen op de achtergrond een rol en dat kan het zicht op waar het in essentie om zou moeten gaan, zo effectief mogelijk onderwijs voor ieder kind, vertroebelen.

Ondanks dat menig bestuur en school in de missie of visie heeft staan dat het kind en de mogelijkheden en behoeften van het kind centraal  staan, is de praktijk weerbarstiger en staat het concrete handelen daar nogal eens haaks op. Dat zie je bijvoorbeeld als je kijkt naar hoe sommige samenwerkingsverbanden in kaart proberen te brengen dat ze aan de zorgplicht voldoen en dus voor ieder kind in de regio een passend aanbod hebben. Daarbij maken ze gebruik van orthobeelden om zichtbaar te maken welke scholen voor welke kinderen een aanbod hebben, terwijl zij tegelijkertijd erkennen dat ieder kind uniek is en ondanks etiketten als ADHD nooit zullen kunnen zeggen dat alle kinderen met zo’n “stempeltje” op die betreffende school het aanbod kunnen krijgen dat ze nodig hebben en waar ze recht op hebben. Het woord aanbod is in dit verband ook al iets dat te denken geeft. Dan spreekt de term “arrangementen”, die ook gebruikt wordt, mij meer aan, omdat daar ook de vraagkant in doorklinkt.

Hoe zouden dan op zich prima ideeën en uitgangspunten wel in concreet waarneembaar effectief gedrag van de professionals op de scholen omgezet kunnen worden. Naar mijn mening door aan te sluiten bij de aanwezige kracht van diezelfde professionals. Waar lukt het leerkrachten, docenten en hun leidinggevenden nu al om een leerling of meerdere leerlingen met specifieke onderwijsbehoef –ten een arrangement te bieden dat het effect heeft dat gewenst is en hoe doen ze dat. Besteed het beschikbare geld om deze good practise voorbeelden verder uit te bouwen en te verspreiden. En besteed dat geld ook aan veelbelovende initiatieven van scholen, leerkrachten en docenten die daarvoor een onderbouwd en gedegen voorstel indienen (proeftuintjes). Werk dus vooral bottom up waar het kan en als het nodig is ook top down. Begin bij het verder ontwikkelen,verspreiden, stimuleren en faciliteren van een leercultuur en construeer daarbij een structuur die deze cultuur ondersteunt. Dus niet eerst een grote structuurverandering beginnen en daarna en daarmee de cultuur proberen te veranderen. Structuur dient cultuur te volgen en niet andersom.

Dat is volgens mij de essentie. Practise what you preach. Als je van leerkrachten en docenten verwacht om niet langer in belemmeringen en beperkingen te denken en te handelen, maar in behoeften en mogelijkheden, dien je dat ook als overheid, besturen en samenwerkingsverbanden te praktiseren. Hoe lastig dat wellicht ook is. Eerst zelf fundamenteel anders leren denken en daar consequent naar handelen, voordat je dat van anderen verlangt. Goed voorbeeld doet goed volgen. Je krijgt wat je uitstraalt.

Fred de Baas