Weblog artikelen

vrijdag, 07 december 2012

 

De wet op het Passend Onderwijs beoogt om voor ieder kind een passend onderwijsaanbod te laten verzorgen. Daarnaast is het ook de bedoeling van de wet om meer kinderen in het reguliere (basis)onderwijs op te vangen, waardoor er minder kinderen naar het speciaal basisonderwijs en (voortgezet) speciaal onderwijs verwezen hoeven te worden. Dat is onder andere ingegeven door financiële motieven omdat een leerling in het SBO of (V)SO de overheid aanzienlijk meer kost dan een leerling in het regulier basisonderwijs. En dat is in een tijd waarin miljarden moeten worden bezuinigd te begrijpen. Ook tegen het principe dat zoveel mogelijk kinderen in de eigen sociale omgeving met hun leeftijdgenoten naar school moeten kunnen gaan is niets op tegen. Echter tussen droom en daad staan wetten in de weg en praktische bezwaren, luidt een bekend gedicht. De wettelijke regeling is er nu echter. Wat blijft zijn de praktische bezwaren.

Mijn mening is dat het overgrote deel van de leerkrachten en docenten in het regulier onderwijs al de handen vol hebben aan de populatie leerlingen die nu aan hun zorgen zijn toevertrouwd. En dat het vragen om moeilijkheden is en niet in het belang van het overgrote deel van de leerlingen die nu in het SBO en (V)SO worden opgevangen dat er, naast de leerlingen met specifieke onderwijs- behoeften die nu al worden opgevangen in het reguliere onderwijs, nog meer van die leerlingen bijkomen. Ook niet in het belang van de leerlingen die nu het regulier onderwijs bezoeken. Wellicht dat er in het SBO een enkele leerling zit die ook op een reguliere basisschool goed tot zijn recht zou komen, maar het overgrote deel van die leerlingen zit daar op zijn plaats en heeft er baat bij om daar te blijven zitten of in de toekomst opgevangen te worden. Zij krijgen onderwijs dat past. Al kan het uiteraard altijd nog beter en zal daar in het SBO en (V)SO aan gewerkt moeten blijven worden.

Nu realiseert ook de overheid zich terdege dat de professionaliteit van de leerkracht en de docent de belangrijkste factor is die bepaalt of wat zij beogen ook te realiseren is of niet. En heeft zij daarom een aanzienlijk bedrag ter beschikking gesteld voor professionalisering. Alleen moet de besteding van die gelden nog echt op gang komen en is het nog lang niet zeker dat het geld ook allemaal effectief besteed zal worden. Daar zou wat mij betreft wel meer regie op mogen worden gevoerd door diezelfde overheid en de besturen. Maar afgezien daarvan blijf ik van mening dat die investering slechts een zij het welkome bijdrage zal kunnen leveren aan het noodzakelijke vermogen van leerkrachten en docenten om op een effectieve wijze om te leren gaan met de huidige populatie en niet meer dan dat. Ook ontbreken investeringen in de voorwaardelijke sfeer zoals meer handen in de klas, kleinere groepen en de ondersteuningstructuur in de vorm van deskundigen (schoolmaatschappelijk werker, logopedist, orthopedagoog ed.) Als de professionaliseringsslag niet of slechts gedeeltelijk slaagt en de overheid houdt vast aan de huidige financiering, gekoppeld aan een vast percentage leerlingen in SBO en (V)SO), voorspel ik dat binnen een paar jaar het  na een aantal jaren van aanzienlijke dalingen nu al toenemend ziekteverzuim in het onderwijs nog verder zal toenemen evenals het aantal leerlingen met problemen dat gezien hun behoeften feitelijk dient te worden opgevangen in het SBO of (V)SO.

Fred de Baas